De Inwijding deel 3

Het slaan gaat nog een paar minuten door en stopt dan net zo plots als het begonnen was. Iemand haalt mijn polsen en enkels los en ik word overeind, en van het bed af, geholpen. Iemand leidt me naar een andere hoek van de ruimte. Daar word ik neergezet. Iemand pakt m’n linkerpols vast en maakt die schuin boven mijn hoofd vast aan een haak of iets dergelijks. Mijn rechterpols wacht hetzelfde lot. Tussen mijn enkels wordt een spreidstang vast gezet. Ook voel ik een bal tegen m’n lippen aanduwen en zonder morren zorg ik dat de gag in m’n mond gestopt wordt. Ik verbaas mezelf dat ik zonder protesteren mee werk hieraan, notabene bij vreemden nog wel, aan wie ik me nul komma nul procent onderdanig voel.

En nu gebeurt er ineens niets meer. Ik sta daar maar. De zanger van Rammstein brult nog steeds foute Duitse teksten rechtstreeks m’n hoofd in en ik ben nog steeds nat. Wie is hier? Wie ziet mij zo? Of ben ik alleen? Hoe lang zouden ze me hier zo laten staan?
Ineens voel ik een loeiharde mep op mijn linker bovenbeen. Ik word met een singletail geslagen en niet zo zachtjes ook. Al snel komt er een tweede singletail bij die me op mijn rechterschouder slaat. Een derde klap komt op mijn rechterborst terecht en de schreeuw die ik niet tegen kan houden wordt gesmoord door de bal in mijn mond. Door minstens vier singletails word ik geslagen, op mijn billen, bovenbenen, kutje, borsten, schouders. Soms lijken hun slagen zich aan te passen aan het ritme van de muziek, iets wat me helpt om dichterbij de overgave aan de pijn te komen, maar over het algemeen is er geen peil op te trekken, hoe hard, waar en wanneer ik de volgende klap zal krijgen. Ondanks dat mijn gekreun een tijdje terug blijkbaar niet gewaardeerd werd, kicken ze hier nogal op zo’n lijdend meisje. Ik kan niet anders dan het zo nu en dan uitschreeuwen en ik voel dat mijn blinddoek ook steeds natter wordt van de tranen. Ik heb nog nooit zoveel pijn gevoeld, nog nooit zo erg geleden. En het gekke is? Het kan me niet meer schelen. Op de één of andere vage manier geniet ik de pijn. Ik geniet van de wanhoop die ik voel, dat ik ze niet kan tegen houden, dat ze hoe dan ook door zullen gaan met slaan, hoe hard ik ook schreeuw en hoe hard ik ook huil. Het besef dat ik dit allemaal met één woord stop kan zetten is weg, maar dat is ook niet erg, ik wíl het ook helemaal niet stop zetten.

Uiteindelijk houdt het slaan toch op. De klemmen op mijn schaamlippen worden er afgehaald en weer schreeuw ik het uit van de pijn. De enige reden dat ik nog rechtop sta zijn de polsboeien waaraan ik inmiddels ongeveer hang. Een laatste snik ontsnapt en ik haal mijn neus op. Ik vind het normaal gesproken vreselijk om zo te snotteren en geen zakdoek te kunnen pakken, nu interesseert het me allemaal niet meer. Al mijn waardigheid, al mijn maskers en uiterlijke schijn zijn weg geslagen en wat er over blijft is dit. Een snikkend, snotterend meisje met weke benen en knikkende knieën. Iemand houdt me vast terwijl m’n boeien worden losgemaakt. Ik word op bed gelegd en dan is er even niks meer. De muziek houdt ook op en ik hoor niks, dus ik ga er vanuit dat er niemand meer is. Zo raar.. Er is van alles met me gebeurd en ik heb geen idee wie wat met me gedaan heeft. Zijn m’n vrienden hier bij geweest? Hebben ze alles gezien? Of misschien wel mee gedaan? Ik heb geen flauw idee en ik heb zo’n vermoeden dat ik er nooit ga achter komen. Dit soort gedachten houden me even bezig als ik op een gegeven moment voetstappen hoor.
“Hou je ogen dicht,” zegt een bekende stem. Het is de man die me eerder op de avond naar deze ruimte heeft gebracht. Hij doet m’n blinddoek af en ik hou m’n handen voor m’n ogen om langzaam weer te wennen aan het licht. Ook de gag maakt hij los. Hij legt m’n kleren op het bed en zegt dat ik alles goed doorstaan had. “Had ik niet van je verwacht toen ik die opstandige blik zag toen je je moest uitkleden,” zegt hij met een vuile grijns, ik mag hem nog steeds niet en moet me wederom inhouden. Ik heb geen idee of ik al de vrijheid heb om te zeggen wat ik wil en ik wil dit alles niet doorstaan hebben om het in de laatste vijf minuten nog te verprutsen.
Ik kleed me aan en vraag de man hoe nu verder.
“Hoe nu verder? Jij loopt zo de ruimte hiernaast binnen, neemt wat te drinken en gaat je de rest van de avond afvragen wie wat met je gedaan heeft, wat dacht je daarvan?”
Ik zeg maar niet dat ik juist liever naar buiten ren om pas volgende maand weer binnen te komen, maar aan de andere kant verga ik van de dorst. Ik knoop m’n schoenveters dicht en sta op. De man gaat me voor en loopt via een gang naar een andere deur. Als hij die open doet kom ik in een ruimte die het meest weg heeft van een groot bruin café. Mijn binnenkomst lijkt nauwelijks opgemerkt te worden wat ik alleen maar héél erg prettig vindt. Ik bestel een glas water en zoek met mijn ogen naar bekende gezichten. Ik zie een vriend zijn hand naar me opsteken. Ik vind het eng om naar hem toe te lopen, niet wetend wat hij gezien, of misschien wel gedaan heeft. Toch loop ik naar hem toe en hij begroet me met drie zoenen en begint een gesprek. Ik zal het nooit weten. En misschien is dat ook wel beter zo.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *