Vreemdgegaan tijdens mijn zwangerschap – deel 3

The morning after

Ik moet vrijwel direct in slaap zijn gevallen. Toen Koen zachtjes over mijn bovenarm wreef en vroeg hoe laat ik op mijn werk moest zijn, was het al volop licht. Ik keek op de wekker, half 9. Ik zei dat ik geen zin had om me te haasten en dat ik de hele dag wel vrij zou nemen. ‘s Middags had ik toch al vrij vanwege de echo en op doordeweekse ochtenden is het toch rustig in de winkel.

Koen had al gedoucht en was dus blijkbaar al even wakker. Ik stond op en zag ineens een klein beetje bloed op de lakens. Koen zag hoe ik gelijk geschrokken met mijn hand tussen mijn benen voelde en zei gelijk: “Geen zorgen, geen zorgen, dat is van mij”. Hij deed zijn shirt omhoog en ik zag een paar flinke krassen op zijn borst. “Heb ik dat gedaan?”, vroeg ik schuldbewust.

“Dat lijkt me wel het meest waarschijnlijke scenario ja. Zou badzout erop smeren helpen om er een paar mooie littekens van te maken? Heb ik toch weer een soort van aandenken aan je”, zei hij opgewekt.

“In de berging hebben we vast nog wel wat accuzuur staan. Dat helpt zeker”, zei de sadistische helft van mijn gespleten persoonlijkheid.

“Je houdt echt van me he?”

Koen moest even wat belletjes plegen en ik maakte van de gelegenheid gebruik om me te douchen en aan te kleden. Toen ik beneden kwam was Koen uitgebeld en we dronken samen een kop koffie. We kletsten wat en ik vertelde hem ook over de echo van die middag. Hij vroeg hoe het was om het hartje te horen en toen ik hem de foto’s van de laatste echo liet zien, keek hij er aandachtig naar en vroeg me vanalles. In een paar minuten had hij al meer interesse getoond dan Niels in de laatste paar maanden. Alsof Niels die laatste gedachte in Duitsland had opgevangen ging precies op dat moment mijn telefoon, een Duits nummer.

Koen maakte aanstalten om even naar buiten te gaan, maar ik zei vlug dat hij kon blijven zitten als hij zich stil hield. Het was inderdaad Niels die me vanaf zijn hotelkamer belde.

Niels: “ik heb hier nog een paar dagen langer werk, dus ik ben na het weekend pas thuis. Maandag of dinsdag, denk ik.”

Ik: “Dus je bent niet bij de echo vanmiddag?”

Niels: “Nee.”

Ik: “En je komt in het weekend ook niet naar huis? Dan kun je daar toch niets doen.”

Niels: “Nee. Dat wordt lastig.”

Ik: “Heb ik je iets misdaan?”

Niels: “Neehoor. Maar ik moet gaan nu. Ik bel je morgen wel.”

En weg was hij. Verbaasd staarde ik naar mijn telefoon. Koen, die zich waarschijnlijk ook even geen houding wist te geven, bestudeerde aandachtig zijn lege koffiemok.

Na even verbrak hij de stilte: “Mag ik je wat persoonlijks vragen?”

“Veel persoonlijker dan ons gesprek van afgelopen nacht gaat het niet worden, dus ga je gang.”

“Nee, ik moet me niet met jullie relatie bemoeien. Vergeet het maar even.”

“Je wilde vragen of ik denk dat hij een ander heeft… Nee, dat denk ik niet. Hij is twee jaar geleden al eens vreemdgegaan. Dat heeft hij me toen gelijk opgebiecht. Ik heb er toen geen punt van gemaakt. Hij had een fout gemaakt en het had verder niets om het lijf. Ik vond het niet zo belangrijk en ik voelde me ook niet echt gekwetst ofzo. Het heeft mijn vertrouwen in hem ook juist versterkt, omdat hij er direct eerlijk over is geweest”, bracht ik vlot uit.

“Dat wist ik niet. Wel goed dat hij het je direct heeft verteld. Sorry dat ik erover begon. Ik ben wel de laatste die zich met jullie relatie moet bemoeien.”

“Maak je niet druk. Je mag gewoon zeggen wat je denkt. Ik weet dat je zulke dingen niet zegt om me te bespelen.”

Koen knikte. Ik was er inderdaad niet bang voor dat hij zou proberen om me te bespelen. Daarvoor had hij te veel respect voor me. Bovendien lag het niet in zijn karakter. Dat ik wat dat betreft bij Niels meer op mijn hoede had moeten zijn werd me snel duidelijk.

Een leugen met gevolgen

Koen stond op en zei dat het hem speet, maar dat hij nu echt moest gaan. Ik twijfelde, afgelopen nacht had hij me eindelijk verteld wat er indertijd was gebeurd, maar een vraag was onbeantwoord gebleven. Ik had die vraag ook niet gesteld. Het was een pijnlijk punt.

“Mag ik je nog een ding vragen?”, vroeg ik, nog steeds in twijfel.

Hij keek me even onderzoekend aan en ging weer zitten. Hij zal aan mijn gezicht hebben gezien dat het niet over het weer van vandaag zou gaan.

Ik dacht even na over hoe ik mijn vraag wilde formuleren en zei uiteindelijk: “Je zei vannacht dat er indertijd, tijdens onze relatie, niemand anders was en ik geloof je. Echt. Maar dat je zo snel na mij iemand anders had, was dat een poging om mij te vergeten, of hoe moet ik dat zien?”

Koen leek even verward en het duurde even voor zijn antwoord kwam.

“Ik weet niet wat jou definitie van snel is. Het was mijn zaak niet meer, maar ik vond het snel dat jij toen na een paar weken al met Niels samenwoonde”, zei hij uiteindelijk geprikkeld. Blijkbaar had dit hem pijn gedaan.

“Dat kan zijn, maar jij had er nog heel wat minder tijd voor nodig om je zinnen te verzetten”, vuurde ik terug.

“Sorry, maar ik echt geen idee waar je nu op doelt.”

“Oke, laat dan maar”, zuchtte ik, “ik had gehoopt dat we na vannacht eindelijk alles eerlijk konden uitpraten, maar blijkbaar was dat naïef van me. Ga maar.”

“Kom op, doe niet zo. Ik ga helemaal nergens heen, ”

“Ik moet zo echt gaan. Hoe laat heb je die echo? Dan bel ik je daarna even.”

Ik antwoordde dat ik de echo om 16:00 had en dacht na. Ik zat al even in een kleine gewetensstrijd. Kon ik hem vragen om met me mee te gaan? Zulke dingen doe ik liever niet alleen. Bij elke echo ben ik bang dat er iets mis is en ik moet er niet aan denken om daar dan alleen te staan.

Voor Niels is zijn werk blijkbaar belangrijker, dus het staat me vrij om iemand anders mee te vragen. Maar het zou raar zijn om Koen te vragen, zeker na afgelopen nacht.

“Is er iets?”, vroeg Koen, terwijl ik op het punt stond om te beslissen dat ik beter alleen kon gaan.

“Zou je met me mee willen gaan?”, vroeg ik en ik baalde direct van mijn zwakheid en egoïsme.

“Wil je dat?”, vroeg hij verbaasd.

“Ja, maar als je het pijnlijk vindt moet je het echt eerlijk zeggen. Dan vraag ik iemand anders.”

Dat laatste loog ik. Ik zou niet weten wie ik er anders bij zou willen hebben.

“Ik ben een grote jongen. Maak je over mij maar geen zorgen. Vind je het fijn als ik erbij ben?”, klonk het vastberaden.

“Ja”, zei ik zacht.

“App me het adres waar ik moet zijn even. Dan zie ik je straks daar.”

“Doe ik.”

“Gaat het wel met je?”, vroeg hij plotseling bezorgd.

“Ik ben een grote meid. Maak je over mij maar geen zorgen”, probeerde ik met evenveel bravoure te zeggen als hij daarnet.

Hij keek me even onderzoekend aan, maar leek er uiteindelijk op te vertrouwen dat ik niet direct na zijn vertrek mijn polsen zou gaan doorzagen. Hij stond op, liep achter me langs en liet zijn hand nog even over mijn hoofd gaan. Hij leek even te twijfelen, maar liep uiteindelijk toch door. “Tot straks”.

Echo

Het was kwart voor vier toen ik de parkeerplaats van de kliniek op reed en Koen stond al te wachten.

“Je bent op tijd!”, riep ik terwijl ik op hem afliep.

“Ja, dit is belangrijk”, zei hij met een grijns.

“Dus al die keren dat je me hebt laten wachten was het gewoon niet belangrijk?”, vroeg ik gemeen.

“Kunnen we dit onderwerp even laten zitten?”, zei hij met gespeelde onzekerheid.

“Laten we dat maar doen ja. Je bent lief en ik ben blij dat je er bent”, en ik kon me maar net op tijd bedwingen om mijn arm niet om zijn middel te slaan. Zoveel mensen kende ik niet in deze buurt, niemand eigenlijk, maar je weet het nooit.

Binnen namen we plaats in de wachtkamer en om klokslag vier uur werden we opgehaald. Gelukkig was het een ander dan de vorige keer. Na de standaard vragen mocht ik gaan liggen. Trui omhoog, broeksband wat naar beneden, een dot gel op mijn buik en ze plaatste de scanner  op mijn buik. Vrijwel direct was de hartslag te horen. Het was het mooiste geluid dat ik kende en het was altijd weer een geruststelling. Ik had mijn kleine meid weinig gevoeld in de afgelopen dagen en had me toch wat zorgen gemaakt. Daarna werd alles, zoals gewoonlijk met enige moeite, in beeld gebracht. Hoofdje, ruggetje, armpjes en beentjes, alles zag er goed uit.

“Weten jullie het geslacht?”, vroeg ze vriendelijk.

“Ja, dat was bij een pretecho die ik laatst hebben laten doen duidelijk te zien”

“Oke. Volgens mij heeft papa het trouwens even zwaar” en ze knikte richting Koen.

Ik keek om en zag de tranen over zijn wangen lopen. Die enkele traan van afgelopen nacht was al bijzonder geweest, maar zo had ik hem nog nooit gezien in al die jaren dat ik hem kende.

“Gaat het?”, vroeg ik geschrokken.

Hij perste zijn lippen in een glimlach en knikte.

Na de echo, die dus gelukkig geen enkele reden tot zorg gaf, liepen we zwijgend naar mijn auto. Terwijl we binnen waren, was het weer omgeslagen. De lucht was grijs en er viel een vieze, koude regen. Ik had zijn auto nergens zien staan en vroeg hem waar hij stond. Hij had de ingang van de parkeerplaats gemist en een straat verderop geparkeerd, omdat hij geen zin had om te draaien. Bij mijn auto aangekomen vroeg ik of hij nog even naast me kwam zitten.

Zwijgend keken we door de voorruit naar het sombere weer buiten. “Wat was dat nou?”, vroeg ik na een tijdje.

Hij dacht even na en zei: “Ik weet niet wat me overkwam. Het waren geen negatieve gevoelens hoor. Ik vond het zo bijzonder dat er een klein mensje in je groeit. Het kloppen van het hartje… ik weet het niet… het klonk zo vastberaden…… Ik weet niet wat het was, maar iets raakte me zo diep, dat ik het even helemaal kwijt was. Sorry, dit moest om jouw kleine meisje gaan. Niet om een volwassen kerel die als een klein kind zit te brullen. Sorry.”

“Geen sorry zeggen. Ik vond het erg fijn dat je er was. Ik was zenuwachtig, maar dat je naast me zat en mijn hand vasthield maakte me rustig.”

Er viel weer even een stilte.

“Mijn ouders komen vanavond eten en zouden er rond deze tijd zijn. Ze hebben een sleutel, maar ik kan ze niet te lang laten wachten”, zei ik afwezig.

Afscheid?

“Fijn dat je vanavond niet alleen bent. Je kan wel wat afleiding gebruiken”, zei hij. Hij leek even na te denken en vroeg toen: “Wil je de vraag die ik je nu ga stellen alsjeblieft eerlijk beantwoorden zonder je om mijn gevoelens te bekommeren?”

Onzeker keek ik hem aan en knikte.

Hij ademde diep in en leek even moed te moeten verzamelen om te zeggen wat hij op zijn lever had. Desondanks klonk zijn stem onvast: “Je weet dat ik er altijd voor je zal zijn als je me nodig hebt. Of het nu morgen is, of over 20 jaar. Dat gaat niet veranderen. Nooit. Maar… ik snap dat je moet vechten voor je relatie met Niels en ik snap dat ik het je op dat vlak nu echt niet makkelijker maak.”

Hij liet een kleine stilte vallen en vervolgde met moeite: “Help ik je als ik je voorlopig met rust laat? Als we voorlopig afstand van elkaar nemen?”

Zijn vraag schoot als een pijnscheut door mijn lijf en de tranen sprongen in mijn ogen. Een wirwar van gedachten wervelde door mijn hoofd. Gisteravond, vannacht en vanmiddag had ik me weer zo enorm op mijn gemak gevoeld. Ondanks het moeilijke gesprek en de chaos in mijn hoofd had ik me weer zo geliefd gevoeld en ervaren dat ik bij niemand zo volledig mezelf kon zijn als bij hem. Het was zo anders dan de afgelopen jaren met Niels. Niels was goed voor me, maar ik had altijd het gevoel dat ik op mijn tenen moest lopen. Nooit was ik volledig ontspannen.

Ik betrapte mezelf erop dat ik voor de zoveelste keer in de afgelopen 24 uur in mijn hoofd Niels en Koen met elkaar aan het vergelijken was. Dat was niet eerlijk. Of mijn relatie met Niels zou slagen of niet moest afhangen van Niels en mij. Daar mocht Koen geen rol in spelen.

Mijn gevoelens voor Niels waren door zijn gedrag in de afgelopen periode flink op de proef gesteld, beschadigd zelfs. Ook was ik in diezelfde periode gaan beseffen dat we op sommige vlakken andere dingen belangrijk vonden. Ik hield van de Niels die ik kende, maar had ik de afgelopen maanden een glimp van de echte Niels gezien en hield ik van iemand die eigenlijk niet bestond? Terwijl ik mezelf die vraag stelde besefte ik hoe oneerlijk die gedachte was. In de voorgaande jaren was ik over het algemeen gelukkig met hem geweest. Ik mocht hem niet afrekenen op die twee maanden, hoe raar zijn gedrag ook was. We waren in een koude oorlog beland en er was iets aan de hand. Ik moest erachter komen wat dat was. Wat het probleem ook was, ik moet alles doen wat in mijn macht lag om het op te lossen. Dat was ik verplicht tegenover Niels, maar meer nog tegenover het kleine meisje dat ik bij me droeg.

Maar Koen…

“En jij dan?”, vroeg ik met samengeknepen keel.

“Ik red me wel. Dat heb ik altijd gedaan” en hij gaf me een goedbedoelde glimlach. Maar uit die glimlach sprak zoveel triestheid dat het voelde alsof een ontzichtbare hand mijn hart samenkneep totdat er niets van over bleef.

“Is dat beter voor je?”, herhaalde hij kort zijn vraag.

Ik liet mijn hoofd hangen, sloot mijn ogen en knikte. “Sorry…”

Hij pakte mijn hand en keek me aan: “Maak je niet te druk, alles komt goed.”

Dat ‘alles komt goed’ was zo’n beetje zijn lijfspreuk en het had me vaak vertrouwen gegeven als hij het tegen me zei. Maar hoe kon ik er nu in godsnaam nog vertrouwen in hebben dat alles goed zou komen, als ik niet eens meer wist wat goed was.

Plotseling boog hij naar me toe, gaf me een tedere kus en keek me heel even aan. Toen wendde hij zijn blik af, zuchtte diep, deed het portier open en stapte uit. Hij sloot het portier, liep weg en keek niet meer om.

Koen in een notendop

Koen was een knappe man met een gemiddelde lengte, maar zijn zelfbewuste en kalme uitstraling deden hem groter lijken, gaven hem overwicht. Door de rust die hij uitstraalde en het feit dat hij nooit zijn zelfbeheersing verloor, versleten sommige mensen hem voor saai.

Als we samen waren was hij altijd ontspannen en ontzettend lief. Hij kon jongensachtig ondeugend en uitgelaten zijn. We hadden heel veel lol gehad samen, maar we konden ook ontzettend fijn praten, waarbij hij niet bang was om zich kwetsbaar op te stellen. In bed was hij passioneel en avontuurlijk. Daarnaast was hij altijd open en eerlijk tegen me geweest. Het maakte niet uit waar we waren, als ik bij hem was voelde ik me thuis en voelde ik me op mijn gemak. Dat laatste is in zekere zin nooit veranderd.

Het jongetje

Naast die twee gezichten heeft hij nog een gezicht. Een gezicht dat ik waarschijnlijk als enige ken. Die kant zag ik voor het eerst toen hij op de sterfdag van zijn ouders, na zijn werk, naar het kerkhof ging. Ik wist dat hij daar graag alleen was, maar ik had het idee opgevat om hem buiten het kerkhof op te wachten. Ik had zijn auto zien staan en wachtte daar op hem. Na een paar minuten was ik toch het kerkhof op gelopen (ik heb een vreemde fascinatie voor de hoek met de oudste graven op een kerkhof, ik moet daar altijd gaan kijken). Ik keek wat rond en zag Koen op een gegeven moment een heel eind verderop gehurkt bij een graf (dat van zijn broertje, leerde ik later) zitten, maar het was niet de Koen die ik kende. Het was iets in zijn houding en blik dat ik niet kan benoemen, maar op dat moment keek ik naar een onzeker jongetje dat moederziel alleen was. Het jongetje dat hij ooit moest zijn geweest, nadat hij iedereen die hem liefhad, had verloren.

Het beeld greep me zo aan dat ik minutenlang naar hem heb staan staren. Op een gegeven moment kwam hij overeind. Het jongetje in hem was verdwenen op het moment dat hij me zag. Ik voelde me betrapt en schaamde me dat ik hem daar niet met rust had gelaten, maar hij leek me niets kwalijk te nemen.

Dat jongetje heb ik daarna nog een keer gezien. Toen ik op een avond thuis kwam na een verjaardag van een vriendin zat hij op de bank met een fotoboek. Hij had me niet gehoord, omdat hij een cd van Crowded House vrij hard op had staan. Ik zag hem en herkende direct het jongetje weer. Op het moment dat hij mij in zijn ooghoeken opmerkte, was hij direct zijn gewone zelf weer. Schouders recht, blik op zeker. Ik had het fotoboek dat hij vast had nog nooit eerder gezien, terwijl ik toen toch al ruim een jaar bij hem woonde. Ik ging naast hem op de bank zitten hij liet me een tiental foto’s van hem, zijn ouders en zijn broertje zien. Het bleek alles te zijn wat hij nog had uit die tijd.

Jaren later. Ik was toen al een tijdje samen met Niels en we waren met een groep vrienden op vakantie. We hadden met zijn allen een huis in Italië gehuurd. De tuin grensde aan een groot meer dat ingesloten lag tussen de bergen. Er was die avond flink gegeten en gedronken en iedereen lag in bed. Als Niels gedronken heeft, snurkt hij verschrikkelijk en ik was gefrustreerd opgestaan.

Ik wilde net op een bank in de woonkamer gaan liggen toen ik Koens silhouet achterin de tuin op het smalle strandje langs het meer meende te zien. Ik sloeg een deken om me heen en liep naar buiten. Het was Koen inderdaad. Ik liep naar hem toe en vroeg hem wat hij daar zo zielig alleen zat te doen. Hij zei dat er weinig zieligs aan was en dat hij gewoon met een fles wijn van het uitzicht zat te genieten. Het was inderdaad mooi. De maan verlichtte het meer en daar omheen zag je de donkere silhouetten van de bergen, met hier en daar de kleine lichtjes van wat huizen. Toen ik naast hem kwam zitten reikte hij me de fles wijn aan. “Ik heb er hier nog een hoor”, had hij gezegd, alsof het voor de hand lag dat ik me daar ernstige zorgen over maakte.

Ondanks de deken had ik het koud en kroop met mijn knieën opgetrokken bij hem op schoot. Als we op dat moment van elkaar hadden geweten wat we nog voor elkaar voelden, waren er toen ongetwijfeld dingen tussen ons gebeurd die niet mochten, maar we wisten dat niet en hebben die nacht alleen lang en fijn gepraat. Het zal de drank zijn geweest die me op een gegeven moment de moed gaf om over ‘het jongetje’ te beginnen. Even was het stil, nadat ik hem verteld had wat ik die twee keer had gezien. Ik was bang dat hij het als onzin af zou doen, maar hij dacht even serieus na, nam een slok uit de fles wijn en begon te vertellen: “Heel soms als ik me verdrietig of somber voel, wat gelukkig niet al te vaak voorkomt, dan komt er wel een oud gevoel bij me op. Een déjà vu klinkt zo zweverig, maar soms heb je het gewoon dat een geluid, een geur of een beeld je terug in de tijd voert. Dat is bij mij met dat gevoel. Ik voel dan echt weer even wat ik voelde toen ik van pleeggezin naar pleeggezin pendelde. Eenzaamheid en onzekerheid. Bang ook wel. Gadverdamme, wat een triest verhaal” en hij nam een grote teug wijn. “Wel zorgelijk dat dat aan de buitenkant aan me te zien is.”

“Zo erg is het niet hoor. Het is gewoon iets in je houding en je blik. Iets onzekers, een beetje verslagen”, zei ik.

Hij keek me aan: “Er is echt niemand in de wereld die me zo goed kent als jij”.

“Andersom is het net zo. Je kent me beter dan dat ik mezelf ken”, bekende ik.

Die woorden raakten hem en hij zette in een reflex de fles weer aan zijn mond en constateerde dat die leeg was. “Godver”

“Denk je niet dat je inmiddels genoeg hebt gehad?”, vroeg ik.

“Dat lijkt me wel ja”

“Ik moet echt even gaan plassen”, zei ik en ik strekte mijn benen en stond op van zijn schoot.

Ik maakte aanstalten om hem overeind te helpen, maar hij wuifde me weg.

“Ga maar vast. Ik kruip zo wel die kant op.”

Uiteindelijk is hij op het strandje in slaap gevallen. Ik had verwacht dat hij de volgende ochtend doodziek zou zijn. Hij was normaal geen grote drinker. Maar in tegenstelling tot de meeste anderen had hij nergens last van.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *